Het zakkendragershuisje

(The English version is under the Dutch)

EERST SMAKKEN, DAN SJOUWEN

Dit pand uit 1765 was lang in gebruik als het huisje van het zakkendragersgilde. Tot ver in de negentiende eeuw ging in ons land bijna alle vervoer over het water: over kanalen, over de grote rivieren en over zee. Om de lading van de schepen op tijd en snel te kunnen lossen moesten er steeds betrouwbare werkkrachten klaarstaan. Deze ‘zakkendragers’ hoorden bij een gilde dat het alleenrecht had op het laden en lossen van schepen.

Het gilde vormde een gesloten gemeenschap met een beperkt ledental. Een vlotte dienstverlening was van groot belang. De werkzaamheden van het gilde betroffen in hoofdzaak het lossen van vis, turf, granen, kalk, rum, taan, steenkolen en zout. De meeste producten waren verpakt in zakken van zo’n 70 kg. De dragers brachten de zakken aan wal naar pakhuizen of gereedstaande paard en wagens. De zakkendragers waren het enige gilde in Maassluis.

Het werk werd verdeeld onder de leden van het gilde. Als een schip aankwam om te lossen luidde de secretaris van het gilde buiten de bel. Binnen draaide hij een zandloper om. Deze was na 7 minuten leeggelopen. De gildeleden hadden zo 7 minuten de tijd om naar het gildehuisje te komen. Het luiden van de bel mocht alleen tussen 7 uur ´s morgens en 8 uur ´s avonds. ‘Meesters en Gezellen’ kwamen in het gebouwtje bij elkaar om uit te maken aan wie het werk zou worden opgedragen.

Het werk werd aan een bepaalde ploeg opgedragen door middel van ‘smakken’, ofwel dobbelen. De mannen gingen om een ronde smakbak staan met daarboven een blikken trechter. Een ieder wierp twee dobbelstenen in de trechter. De stenen kwamen uit de trechter terecht op een houten bal (hier bekleed met de bol van een hoed) en verspreidden zich in de bak. Het aantal ogen dat iedereen gooide werd aangegeven door een houten pennetje te steken in een bord aan de wand.
Het bord (pennensteker) is voorzien van gaatjes waarbij de nummers 6 tot en met 12 staan. Het aantal ogen beneden zes werd ‘onthouden’. Wanneer er geworpen was riep de ‘Meester’ driemaal “Kom bij”. Had hij dat driemaal geroepen dan had niemand meer het recht om te gooien. Wie het hoogste aantal ogen gooide werd aangewezen voor het werk. De gelukkigen konden die dag dus een ‘smak’ verdienen. Elke ploeg bestond uit 2 scheppers, 1 vrij-man en 5 dragers. Van de verdiensten der dragers werd 5 procent in de kas gestort voor het onderhoud van het gebouw.

Wie lid was van het gilde had een garantie voor vast- of tenminste regelmatig werk. Het gilde vervulde ook een sociale taak. In geval van ziekte of onmogelijkheid tot werken werd ondersteuning (broodgeld) verstrekt. Weduwen en wezen van de gildeleden werden door het gilde ondersteund. Ieder lid was verplicht 10 cent per week te storten in de gildekas. Uit deze gildekas werden de chirurgijn en de dokter betaald. Een overleden lid of zijn echtgenote werd door de gildebroeders begraven en de kosten werden vergoed uit de gildekas. Een gilde was op deze manier een voorloper van de vakbonden van nu.

In de voorgevel zit boven de puibalk een gevelsteen met het jaartal waarin het gilde werd gesticht, een zakkendrager en de namen van de toenmalige bestuursleden van het gilde.

De smakbak staat tegenwoordig in Museum Maassluis.

++++++++++++++++++++

THROWING BEFORE TOILING

This building from 1765 was used for a long time as the house of the bag carriers guild. Until well into the nineteenth century, almost all transport in the Netherlands was done by water: on canals, on the major rivers and by sea. To be able to unload the cargo from the ships quickly and on time, reliable workers had to be available at all times. These ‘bag carriers’ belonged to a guild that had the exclusive right to load and unload ships.

The guild was a closed community with a limited number of members. A prompt service was of great importance. The activities of the guild mainly concerned the unloading of fish, peat, grains, lime, rum, tannin, coal and salt. Most products were packed in bags of about 70 kg. The porters carried the sacks ashore to warehouses or waiting horse and carts. The bag carriers were the only guild in Maassluis.

The work was divided among the members of the guild. When a ship arrived to unload, the secretary of the guild rang the bell outside. Inside, he flipped an hourglass. It emptied after 7 minutes. The guild members had 7 minutes to come to the guild house. Ringing the bell was only allowed between 7 a.m. and 8 p.m. Masters and Companions met in the building to decide who would be dedicated the work to.

The work was assigned to a specific team by means of ‘smacking’, or throwing dice. The men gathered around a dice box topped by a tin funnel. Each person threw two dice into the funnel. The stones came out of the funnel onto a wooden ball (here lined with the ball of a hat) and scattered in the tray. The number of eyes everyone threw was indicated by sticking a wooden peg in a board on the wall. The board has holes with the numbers 6 to 12. The number of eyes below six was ‘remembered’. When the throw was over, the ‘Master’ called out “Come to” three times. After he had called that three times, the throw stopped. Whoever threw the highest number of eyes was assigned to the job. The lucky ones could therefore earn a lot that day. Each squad consisted of 2 shovel men, 1 free-man and 5 porters. Of the earnings of the carriers, 5 percent was deposited in the cashbox for the maintenance of the building.

All members of the guild had a guarantee of permanent or at least regular work. The guild also fulfilled a social task. Support (bread money) was provided in case of illness or inability to work. Widows and orphans of the guild members were supported by the guild. Every member was obliged to deposit 10 cents a week in the guild treasury. The surgeon and the doctor were paid from this cashbox. A deceased member or his wife was buried by the guild brothers and the costs were reimbursed from the guild treasury. In this way a guild was a forerunner of today’s trade unions.

In the front facade, above the front beam, there is a tablet showing the year in which the guild was founded, a bag carrier and the names of the then board members of the guild.

The dice box can be seen today in Museum Maassluis.