Maassluis  |  Geplaatst op 10 januari 2022

Column

Een toren op duizend palen

Door: Ineke Vink

De Historische Vereniging Maassluis diept elke maand historische wetenswaardigheden op uit haar uitgebreide archief.

De Groote Kerk in Maassluis was in 1639 nog maar net gereed of kerkgangers begonnen het middendeel van de kerk direct onder de 30 meter hoge houten toren te mijden. De vier extra verzwaarde pilaren in de kerk bleken onvoldoende berekend op het gewicht van die toren. Krakende geluiden waren niet vreemd voor het Maassluise vissersvolk, maar een verzakkende toren en inzakkend dak ging iets te ver. Het was 1647, acht jaar na de feestelijke opening van de kerk, toen de vrees voor instorting van het gebouw of omvallen van de toren reëel werd. De kerkmeesters wonnen advies in bij de stadsfabrieken (directeuren van gemeentewerken) van diverse grote steden. Het advies was duidelijk: slopen die toren en een nieuwe bouwen. De nieuwe toren zou aan de westzijde van de kerk komen. Arent van ’s Gravesande maakte de tekening, hij had ervaring met de bouw van kerken. De laagste aanbesteding kwam van Jan Claes Pety uit Leiden. Die twee kenden elkaar van andere bouwwerken. Samen gingen ze in juli 1648 van start voor 23.000 gulden. Tenminste dat dachten ze. De kosten voor het heien bleken niet in de begroting opgenomen. Achter in de kerk lagen ‘duysent masten van zeven palmen’. Dat waren de heipalen voor de toren (een palm was ongeveer één decimeter). Deze waren in 1648 in Amsterdam gekocht en per schip naar Maassluis gebracht waar ze met de houten kraan aan de Marnixkade gelost waren. De korte palen gingen boven elkaar de grond in, dat duurde vijf maanden. Op 15 januari 1649 werd eindelijk de eerste steen gelegd. Hiervan bestaat nog een gedenksteen boven de toreningang. De bouw mocht een jaar duren en dat lukte. Als bovendeel van de westtoren herbouwde men de houten middentoren. De nieuwe toren kwam daarmee tot een hoogte van 60 meter zodat de klokken overal in Maassluis te horen waren. Dat klokgelui was in die tijd van groter belang dan tegenwoordig. Woonde of werkte je verder weg, dan moest je de klok kunnen horen luiden of het uurwerk kunnen zien, dat was voorschrift. Later is de houten bovenbouw met de galmgaten vervangen door een stenen versie en kwamen er zwaardere klokken in te hangen. De hoge toren had nog een andere functie. Hij diende ook als baken op de rivier voor de thuisvarende vissers. Op de oorspronkelijke plaats van de houten middentoren kwam een klein torentje met als windwijzer een vissersschip. Die verwijzing naar de visserij kunnen we vandaag de dag nog steeds zien.

Columns

Geplaatst op 2 september 2022

Terugblik op ‘Beatstad Maassluis’

Geplaatst op 1 augustus 2022

100 jaar wonen op ’t Stort

Geplaatst op 8 juli 2022

De Sandelijnstraat

Columns archief...

Maassluis  |  Geplaatst op 10 januari 2022

Column

Een toren op duizend palen

Door: Ineke Vink

De Historische Vereniging Maassluis diept elke maand historische wetenswaardigheden op uit haar uitgebreide archief.

De Groote Kerk in Maassluis was in 1639 nog maar net gereed of kerkgangers begonnen het middendeel van de kerk direct onder de 30 meter hoge houten toren te mijden. De vier extra verzwaarde pilaren in de kerk bleken onvoldoende berekend op het gewicht van die toren. Krakende geluiden waren niet vreemd voor het Maassluise vissersvolk, maar een verzakkende toren en inzakkend dak ging iets te ver. Het was 1647, acht jaar na de feestelijke opening van de kerk, toen de vrees voor instorting van het gebouw of omvallen van de toren reëel werd. De kerkmeesters wonnen advies in bij de stadsfabrieken (directeuren van gemeentewerken) van diverse grote steden. Het advies was duidelijk: slopen die toren en een nieuwe bouwen. De nieuwe toren zou aan de westzijde van de kerk komen. Arent van ’s Gravesande maakte de tekening, hij had ervaring met de bouw van kerken. De laagste aanbesteding kwam van Jan Claes Pety uit Leiden. Die twee kenden elkaar van andere bouwwerken. Samen gingen ze in juli 1648 van start voor 23.000 gulden. Tenminste dat dachten ze. De kosten voor het heien bleken niet in de begroting opgenomen. Achter in de kerk lagen ‘duysent masten van zeven palmen’. Dat waren de heipalen voor de toren (een palm was ongeveer één decimeter). Deze waren in 1648 in Amsterdam gekocht en per schip naar Maassluis gebracht waar ze met de houten kraan aan de Marnixkade gelost waren. De korte palen gingen boven elkaar de grond in, dat duurde vijf maanden. Op 15 januari 1649 werd eindelijk de eerste steen gelegd. Hiervan bestaat nog een gedenksteen boven de toreningang. De bouw mocht een jaar duren en dat lukte. Als bovendeel van de westtoren herbouwde men de houten middentoren. De nieuwe toren kwam daarmee tot een hoogte van 60 meter zodat de klokken overal in Maassluis te horen waren. Dat klokgelui was in die tijd van groter belang dan tegenwoordig. Woonde of werkte je verder weg, dan moest je de klok kunnen horen luiden of het uurwerk kunnen zien, dat was voorschrift. Later is de houten bovenbouw met de galmgaten vervangen door een stenen versie en kwamen er zwaardere klokken in te hangen. De hoge toren had nog een andere functie. Hij diende ook als baken op de rivier voor de thuisvarende vissers. Op de oorspronkelijke plaats van de houten middentoren kwam een klein torentje met als windwijzer een vissersschip. Die verwijzing naar de visserij kunnen we vandaag de dag nog steeds zien.