Maassluis  |  Geplaatst op 8 oktober 2021

Column

Acte van indemniteit

Door: Historische Vereniging ’s Gravendeel

Zwervers rond 1800 verdienden de kost met liedjes zingen. Wanneer een Maassluise zwerfster overlijdt in ’s Gravendeel in de Hoeksche Waard, krijgt Maassluis de rekening. Over de begrafeniskosten ontstaat een felle correspondentie.

Om in hun onderhoud te voorzien, klopten bedelaars, zwervers en landlopers overal aan en zongen aan de deur ‘een liedje voor een cent’. Tot die liedjeszangers behoorden Maria en Trijntje van den Berg uit Maassluis. Ze zwierven sinds de dood van hun ouders in 1815 door de Hoeksche Waard. Ze droegen belangrijke papieren bij zich: overlijdensakten van hun ouders en hun eigen doopbewijzen. Daarmee konden ze in geval van nood bij de diaconie aankloppen, die was dan verplicht voor hen te zorgen.

Al zingend gingen ze van dorp tot dorp en kwamen in het dorp ’s-Gravendeel. Daar werd Maria ziek. Op 26 september 1822 overleed ze. De ’s Gravendeelse diaconie werd in kennis gesteld. Meester Jan van Harthals, behalve schoolmeester ook doodgraver, kreeg de opdracht de bedelares op de goedkoopste manier te begraven. Hij voldeed aan de opdracht. De kosten van kist en begrafenis waren f 8:12:8 (8 gulden, 12 stuivers, 8 penningen, omgerekend € 3,93). Het was een grote aderlating voor de diaconie, maar dat bedrag kon verhaald worden. Gelukkig, zus Trijntje had twee doopbewijzen bij zich waaruit bleek dat zij en haar zus in Maassluis waren gedoopt. Dus moest de diaconie van Maassluis de rekening van de begrafenis voldoen.

De kerkenraad vroeg schout Johannes Elshoff te bemiddelen. Schout Elshoff schreef op 5 oktober 1822 een nette brief ‘aan de armenverzorgeren van Maaslandsluis’ en hij sloot de rekening bij. Op 16 oktober kwam er antwoord van de diaconie van Maassluis: Zij kenden geen Maria van den Berg. Wie mocht dat wel wezen? Er ging weer een brief naar Maassluis. Nu werd er uitgebreid informatie gegeven over Maria van den Berg en kopieën van de aktes bijgesloten. Dat waren harde bewijzen, voldoende om de armenverzorgers van Maassluis hun verantwoordelijkheden te tonen. Tenminste, dat dacht de schout. De diaconie Maassluis schreef terug dat de meegestuurde papieren niet de bewijzen bevatten dat Maassluis verantwoordelijk was. Er was geen ‘acte van indemniteit van de vader van de overledene’ bij (= borg staan voor de kosten van levensonderhoud). Schout Elshoff was daarover gepikeerd en schreef op 22 januari 1823: ‘Wie stelt moet bewijzen!’ Met andere woorden: Maassluis moest aantonen dat zij niet verantwoordelijk was.
Niet lang daarna werd de rekening voldaan.

De Historische Vereniging Maassluis heeft dit verhaal (met toestemming) overgenomen van de Historische Vereniging ’s Gravendeel.

Columns

Geplaatst op 3 december 2021

De kersthaan

Geplaatst op 5 november 2021

Geschiedenis van de Schansbrug

Geplaatst op 10 september 2021

Affaires rond Kuyper

Columns archief...

Maassluis  |  Geplaatst op 8 oktober 2021

Column

Acte van indemniteit

Door: Historische Vereniging ’s Gravendeel

Zwervers rond 1800 verdienden de kost met liedjes zingen. Wanneer een Maassluise zwerfster overlijdt in ’s Gravendeel in de Hoeksche Waard, krijgt Maassluis de rekening. Over de begrafeniskosten ontstaat een felle correspondentie.

Om in hun onderhoud te voorzien, klopten bedelaars, zwervers en landlopers overal aan en zongen aan de deur ‘een liedje voor een cent’. Tot die liedjeszangers behoorden Maria en Trijntje van den Berg uit Maassluis. Ze zwierven sinds de dood van hun ouders in 1815 door de Hoeksche Waard. Ze droegen belangrijke papieren bij zich: overlijdensakten van hun ouders en hun eigen doopbewijzen. Daarmee konden ze in geval van nood bij de diaconie aankloppen, die was dan verplicht voor hen te zorgen.

Al zingend gingen ze van dorp tot dorp en kwamen in het dorp ’s-Gravendeel. Daar werd Maria ziek. Op 26 september 1822 overleed ze. De ’s Gravendeelse diaconie werd in kennis gesteld. Meester Jan van Harthals, behalve schoolmeester ook doodgraver, kreeg de opdracht de bedelares op de goedkoopste manier te begraven. Hij voldeed aan de opdracht. De kosten van kist en begrafenis waren f 8:12:8 (8 gulden, 12 stuivers, 8 penningen, omgerekend € 3,93). Het was een grote aderlating voor de diaconie, maar dat bedrag kon verhaald worden. Gelukkig, zus Trijntje had twee doopbewijzen bij zich waaruit bleek dat zij en haar zus in Maassluis waren gedoopt. Dus moest de diaconie van Maassluis de rekening van de begrafenis voldoen.

De kerkenraad vroeg schout Johannes Elshoff te bemiddelen. Schout Elshoff schreef op 5 oktober 1822 een nette brief ‘aan de armenverzorgeren van Maaslandsluis’ en hij sloot de rekening bij. Op 16 oktober kwam er antwoord van de diaconie van Maassluis: Zij kenden geen Maria van den Berg. Wie mocht dat wel wezen? Er ging weer een brief naar Maassluis. Nu werd er uitgebreid informatie gegeven over Maria van den Berg en kopieën van de aktes bijgesloten. Dat waren harde bewijzen, voldoende om de armenverzorgers van Maassluis hun verantwoordelijkheden te tonen. Tenminste, dat dacht de schout. De diaconie Maassluis schreef terug dat de meegestuurde papieren niet de bewijzen bevatten dat Maassluis verantwoordelijk was. Er was geen ‘acte van indemniteit van de vader van de overledene’ bij (= borg staan voor de kosten van levensonderhoud). Schout Elshoff was daarover gepikeerd en schreef op 22 januari 1823: ‘Wie stelt moet bewijzen!’ Met andere woorden: Maassluis moest aantonen dat zij niet verantwoordelijk was.
Niet lang daarna werd de rekening voldaan.

De Historische Vereniging Maassluis heeft dit verhaal (met toestemming) overgenomen van de Historische Vereniging ’s Gravendeel.