Maassluis | Geplaatst op 5 mei 2026
De naam Taanschuurpolder is een verwijzing naar de visserij in het oude Maassluis. Al op een kaart uit 1653 was de naam ‘Taansche poldertje’ te lezen. Even voor de duidelijkheid : de Taanschuurpolder wordt - in grote lijnen - begrensd door het Scheur (Nieuwe Waterweg), de oostzijde van de Haven en de Zuiddijk en Prinses Julianalaan. Anders gezegd, in de Taanschuurpolder liggen de woonwijken Het Hoofd, Oranjebuurt, de Zeeheldenbuurt en tegenwoordig ook De Kade (voorheen het terrein Key & Kramer). Tot 1877 was dit trouwens - vrijwel onbebouwd - Maaslands grondgebied!
Wat is tanen?
Vroeger werden netten gemaakt van natuurlijke materialen zoals hennep, vlas of katoen. Tot 1855 viste men vooral met hennepnetten, daarna met netten van katoen. Ze waren sterk, maar hadden echter één groot probleem : ze rotten in zout water. Daarom werden de netten na elke reis getaand. Dit gebeurde in een taanschuur of taanhuis. De netten werden ondergedompeld in hete ‘taan’. Taan is een donkerbruine vloeistof, gemaakt van onder meer gemalen boomschors en bevat looizuur. Dit doodt bacteriën en schimmels, vertraagt rotting en maakt de vezels slijtvast. De netten kregen daardoor een bruinere kleur. Het tanen gaf een sterke, vieze lucht. Daarom werden de taanhuizen vaak aan de rand van de bebouwing geplaatst.
De oudste taanschuur : aan de Boonerhaven!
Al in 1663 wordt er geschreven over een taanschuur aan de Boonerhaven. Dit haventje bestaat nog steeds en bevindt zich aan het eind van de nieuwe wijk De Kade. In die tijd werd er nog op zalm en paling gevist op de rivier. Later, toen de visserij zich uitbreidde naar de zee met veel grotere netten, kwamen er meer taanschuren (of taanhuizen) in de polder. Naast de taanschuren waren er taanweides waar de netten te drogen hingen. Taanhuizen waren aparte bedrijven, vaak eigendom van de reders, die er natuurlijk belang bij hadden dat de netten goed onderhouden werden. Het laatste taanhuis in Maassluis bevond zich op de hoek van de Taanstraat (hoe kan het anders!) en het Zandpad. Het is gebouwd in 1765 en opgeheven in 1932. Direct hiernaast was de taanweide, waar de netten te drogen hingen en de nettenboetsters de netten repareerden.
Als de loggers na een reis van soms enkele weken met hun vangst terugkeerden in de Maassluise haven werden de tonnen met haring, maar ook vaak kisten met kabeljauw, schol, schelvis etc. aan de wal gebracht. Met een zogenaamde wantwagen (want = netten/ touw) werden vervolgens de netten van de logger naar het taanhuis vervoerd.
Nettenboetsters : witte schorten
Na het tanen werden de aan elkaar geknoopte netten, die wel vele honderden meters(!) lang waren, aan palen met haken te drogen opgehangen op de taanweide. Vaak waren de dure netten gescheurd of beschadigd na een zeereis, waardoor er veel vis ‘ontsnappen’ kon. Het was daarom nodig de netten te repareren. Dit was het werk van de nettenboetsters : met een boetnaald en garen gingen ze aan de slag. In een krantenartikel uit 1885 staat dat er in Maassluis vijfentwintig vrouwen en meisjes op de boetweides werkzaam zijn. Ze werken ongeveer tien uur per dag en verdienen gemiddeld tien cent per uur. De nettenboetsters waren vaak vrouwen en dochters van vissers. Men droeg een wit schort, dit gaf een egale achtergrond tegen de netten, zodat men goed de mazen kon onderscheiden.
Reders hadden haast : ruim 60 uur per week netten boeten!
In drukke periodes was het hard werken voor de nettenboetsters. Voor de reders was het belangrijk dat de loggers na thuiskomst zo snel mogelijk weer naar zee konden voor de haringvangst. Maar eerst moesten de netten natuurlijk worden getaand en daarna gerepareerd door de nettenboetsters.
Als er meerdere loggers lagen te wachten betekende dat extra drukte voor de nettenboetsters, die toch al zes dagen in de week werkten. Maar dan werden er wel werkdagen van tien tot elf uur gemaakt! Vaak was de man dan nog op zee en moesten deze vrouwen ook thuis nog een gezin draaiende houden! Eind 19e eeuw werkten meisjes van 12 jaar al als nettenboetsters. Tot zeventienjarige leeftijd hadden ze wel andere werktijden. In Vlaardingen was er in 1903 een vergunning van de arbeidsinspectie dat men tot tien uur ’s avonds mocht werken, met een maximaal aantal uren van 13 per werkdag!
Het was natuurlijk wel seizoenswerk. In de winter werden er op de zolders van de pakhuizen van de reders ook wel netten gerepareerd door de boetsters. In de jaren ’50 kwam de introductie van nylon netten. Deze waren sterker en rotten minder. Tanen was niet meer nodig en daardoor liep het werk van de nettenboetsters ook terug.
De netten gaan weer aan boord : klaar voor de volgende reis…
Na het repareren van de netten van een bepaalde logger werden de aan elkaar geknoopte netten los gemaakt van de haken op de taanweide. Vervolgens werden de netten met de wantwagen (met een paard ervóór) naar de Haven gereden. Daar verdwenen de netten dan in het ruim van de logger. De netten werden dan in ‘slagen’ gestapeld zodat ze niet in de knoop raakten. Natuurlijk ook om te voorkomen dat bij het uitzetten van de vleet, dit is de verzameling netten, op zee er geen vertraging kon ontstaan.
De schipper en z’n bemanning konden weer naar zee. Vaak voor een reis van één of twee, soms wel drie weken, op jacht naar een goede vangst!
Maassluise nettenboetsters met hun baas Jan van der Bent, met de veelzeggende bijnaam Jan Slokkie, aan het werk op de taanweide.
Op de taanweide waren de netten aan ijzeren haken opgehangen. De netten waren wel honderden meters lang.
Schilderij van de Maassluise schilder Johann Oberreiter (1904-1964).
Een nettenboetster aan het werk met op de achtergrond de Groote Kerk.
De netten zijn gerepareerd en door de wantwagen naar deze logger in de Maassluise haven gebracht. Hier worden de netten in het ruim gelegd.
Er waren meerdere taanweides – eind 19e en begin 20e eeuw – in Maassluis. Vermoedelijk dateert de foto rond 1905.
Geplaatst op 13 februari 2026
Geplaatst op 4 december 2025
Geplaatst op 28 september 2025
Columns archief...
Maassluis | Geplaatst op 5 mei 2026
De naam Taanschuurpolder is een verwijzing naar de visserij in het oude Maassluis. Al op een kaart uit 1653 was de naam ‘Taansche poldertje’ te lezen. Even voor de duidelijkheid : de Taanschuurpolder wordt - in grote lijnen - begrensd door het Scheur (Nieuwe Waterweg), de oostzijde van de Haven en de Zuiddijk en Prinses Julianalaan. Anders gezegd, in de Taanschuurpolder liggen de woonwijken Het Hoofd, Oranjebuurt, de Zeeheldenbuurt en tegenwoordig ook De Kade (voorheen het terrein Key & Kramer). Tot 1877 was dit trouwens - vrijwel onbebouwd - Maaslands grondgebied!
Wat is tanen?
Vroeger werden netten gemaakt van natuurlijke materialen zoals hennep, vlas of katoen. Tot 1855 viste men vooral met hennepnetten, daarna met netten van katoen. Ze waren sterk, maar hadden echter één groot probleem : ze rotten in zout water. Daarom werden de netten na elke reis getaand. Dit gebeurde in een taanschuur of taanhuis. De netten werden ondergedompeld in hete ‘taan’. Taan is een donkerbruine vloeistof, gemaakt van onder meer gemalen boomschors en bevat looizuur. Dit doodt bacteriën en schimmels, vertraagt rotting en maakt de vezels slijtvast. De netten kregen daardoor een bruinere kleur. Het tanen gaf een sterke, vieze lucht. Daarom werden de taanhuizen vaak aan de rand van de bebouwing geplaatst.
De oudste taanschuur : aan de Boonerhaven!
Al in 1663 wordt er geschreven over een taanschuur aan de Boonerhaven. Dit haventje bestaat nog steeds en bevindt zich aan het eind van de nieuwe wijk De Kade. In die tijd werd er nog op zalm en paling gevist op de rivier. Later, toen de visserij zich uitbreidde naar de zee met veel grotere netten, kwamen er meer taanschuren (of taanhuizen) in de polder. Naast de taanschuren waren er taanweides waar de netten te drogen hingen. Taanhuizen waren aparte bedrijven, vaak eigendom van de reders, die er natuurlijk belang bij hadden dat de netten goed onderhouden werden. Het laatste taanhuis in Maassluis bevond zich op de hoek van de Taanstraat (hoe kan het anders!) en het Zandpad. Het is gebouwd in 1765 en opgeheven in 1932. Direct hiernaast was de taanweide, waar de netten te drogen hingen en de nettenboetsters de netten repareerden.
Als de loggers na een reis van soms enkele weken met hun vangst terugkeerden in de Maassluise haven werden de tonnen met haring, maar ook vaak kisten met kabeljauw, schol, schelvis etc. aan de wal gebracht. Met een zogenaamde wantwagen (want = netten/ touw) werden vervolgens de netten van de logger naar het taanhuis vervoerd.
Nettenboetsters : witte schorten
Na het tanen werden de aan elkaar geknoopte netten, die wel vele honderden meters(!) lang waren, aan palen met haken te drogen opgehangen op de taanweide. Vaak waren de dure netten gescheurd of beschadigd na een zeereis, waardoor er veel vis ‘ontsnappen’ kon. Het was daarom nodig de netten te repareren. Dit was het werk van de nettenboetsters : met een boetnaald en garen gingen ze aan de slag. In een krantenartikel uit 1885 staat dat er in Maassluis vijfentwintig vrouwen en meisjes op de boetweides werkzaam zijn. Ze werken ongeveer tien uur per dag en verdienen gemiddeld tien cent per uur. De nettenboetsters waren vaak vrouwen en dochters van vissers. Men droeg een wit schort, dit gaf een egale achtergrond tegen de netten, zodat men goed de mazen kon onderscheiden.
Reders hadden haast : ruim 60 uur per week netten boeten!
In drukke periodes was het hard werken voor de nettenboetsters. Voor de reders was het belangrijk dat de loggers na thuiskomst zo snel mogelijk weer naar zee konden voor de haringvangst. Maar eerst moesten de netten natuurlijk worden getaand en daarna gerepareerd door de nettenboetsters.
Als er meerdere loggers lagen te wachten betekende dat extra drukte voor de nettenboetsters, die toch al zes dagen in de week werkten. Maar dan werden er wel werkdagen van tien tot elf uur gemaakt! Vaak was de man dan nog op zee en moesten deze vrouwen ook thuis nog een gezin draaiende houden! Eind 19e eeuw werkten meisjes van 12 jaar al als nettenboetsters. Tot zeventienjarige leeftijd hadden ze wel andere werktijden. In Vlaardingen was er in 1903 een vergunning van de arbeidsinspectie dat men tot tien uur ’s avonds mocht werken, met een maximaal aantal uren van 13 per werkdag!
Het was natuurlijk wel seizoenswerk. In de winter werden er op de zolders van de pakhuizen van de reders ook wel netten gerepareerd door de boetsters. In de jaren ’50 kwam de introductie van nylon netten. Deze waren sterker en rotten minder. Tanen was niet meer nodig en daardoor liep het werk van de nettenboetsters ook terug.
De netten gaan weer aan boord : klaar voor de volgende reis…
Na het repareren van de netten van een bepaalde logger werden de aan elkaar geknoopte netten los gemaakt van de haken op de taanweide. Vervolgens werden de netten met de wantwagen (met een paard ervóór) naar de Haven gereden. Daar verdwenen de netten dan in het ruim van de logger. De netten werden dan in ‘slagen’ gestapeld zodat ze niet in de knoop raakten. Natuurlijk ook om te voorkomen dat bij het uitzetten van de vleet, dit is de verzameling netten, op zee er geen vertraging kon ontstaan.
De schipper en z’n bemanning konden weer naar zee. Vaak voor een reis van één of twee, soms wel drie weken, op jacht naar een goede vangst!